Appellanten ontvingen sinds oktober 2015 een AIO-aanvulling naast hun pensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van deze aanvulling nadat bleek dat appellanten mogelijk eigenaar zijn van twee woningen in Marokko, waar ook hun echtgenotes wonen.
De Svb vroeg om informatie over de waarde van deze woningen, waarop appellanten taxatierapporten overlegden die een gezamenlijke waarde van ongeveer €29.281,48 aangaven. De Svb trok daarop de AIO-aanvulling in omdat het vermogen boven de vermogensgrens lag en appellanten de onroerende zaken niet hadden gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt.
Appellanten voerden aan dat zij niet verplicht waren de woningen te melden, dat de waarde lager was dan getaxeerd en dat zij niet over het vermogen konden beschikken vanwege mede-eigendom en deviezenbeperkingen. De Raad verwierp deze bezwaren omdat de inlichtingenplicht objectief is, de taxatierapporten betrouwbaar zijn en appellanten geen bewijs leverden voor hun stellingen.
De Raad erkende dat de waarde van de woningen op het moment van intrekking (1 oktober 2015) niet exact kon worden vastgesteld, waardoor het recht op AIO-aanvulling voor de periode tot 19 juli 2016 niet kon worden vastgesteld. Voor de periode daarna was het recht op AIO-aanvulling terecht ingetrokken. De motiveringsgebreken werden gepasseerd omdat appellanten daardoor niet benadeeld waren.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellanten.