ECLI:NL:CRVB:2019:1977
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies door UWV
Appellant, laatstelijk werkzaam als zelfstandig monteur, heeft een WIA-uitkering aangevraagd wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 46,17% en selecteerde passende functies. Appellant betwistte deze vaststelling en stelde dat zijn rug- en knieklachten onvoldoende zijn meegenomen en dat het UWV informatie uit het CBBS geheimhoudt, wat strijdig zou zijn met het beginsel van equality of arms.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die op basis van de medische stukken concludeerde dat er geen aanleiding was voor aanvullende beperkingen of urenbeperking op de datum in geding. De deskundige nam alle relevante medische informatie mee, waaronder rapporten van orthopedisch chirurgen en een reumatoloog, en zag geen noodzaak voor nader onderzoek.
De Raad oordeelde dat het oordeel van de deskundige overtuigend en zorgvuldig was en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist was vastgesteld. De stelling van appellant dat het UWV informatie uit het CBBS geheimhoudt en daarmee het recht op een eerlijk proces schendt, werd verworpen. Ook werd bevestigd dat de geselecteerde functies passend zijn gezien de belastbaarheid van appellant.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 46,17% en dat de geselecteerde functies passend zijn.