Uitspraak
18.4024 WW
OVERWEGINGEN
Gillisen) verzocht om [naam getuige A] en [naam getuige B] als getuigen in deze zaak te horen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 1 oktober 2012 een WW-uitkering. Het UWV herzag deze uitkering en vorderde meerdere bedragen terug over verschillende periodes, tezamen een bedrag van €5.837,55 inclusief boetes en aanmaningskosten. Appellant stelde dat hij het volledige bedrag had voldaan op basis van een brief van het UWV en telefonische toezeggingen van medewerkers.
De rechtbank oordeelde dat het terugvorderingsbedrag correct was vastgesteld en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het UWV onvoorwaardelijke toezeggingen had gedaan die het vertrouwensbeginsel konden rechtvaardigen. Appellant stelde in hoger beroep dat de brief van 12 juni 2015 en gesprekken met twee medewerkers een volledige aflossing van de schuld bevestigden en verzocht om getuigenverhoor.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Uit correspondentie bleek dat het genoemde bedrag slechts betrekking had op een deel van de schuld en dat het totale openstaande bedrag hoger was. Telefonische mededelingen waren niet ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk. Het verzoek om getuigenverhoor werd afgewezen omdat dit niet tot andere conclusies zou leiden.
De Raad concludeerde dat appellant niet in gerechtvaardigd vertrouwen mocht aannemen dat zijn schuld volledig was voldaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd.