ECLI:NL:CRVB:2016:1496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding prepensioen op WW-uitkering ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant ontving vanaf oktober 2012 een WW-uitkering en vanaf maart 2013 een prepensioen opgebouwd uit een eerder dienstverband. Het UWV hield dit prepensioen in op de WW-uitkering, wat appellant aanvocht met een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen concrete toezeggingen waren gedaan die een gerechtvaardigde verwachting konden wekken dat het prepensioen niet zou worden gekort.
In hoger beroep werd dit standpunt bevestigd. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde van uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezeggingen door het bevoegde bestuursorgaan. De werkcoach kon zich het gesprek waarin dergelijke toezeggingen zouden zijn gedaan niet herinneren en er waren geen aantekeningen. Daarnaast was appellant op de hoogte van de reglementaire voorwaarden rond het prepensioen, waardoor uitstel van uitbetaling niet meer mogelijk was.
De Raad concludeerde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het prepensioen terecht wordt ingehouden op de WW-uitkering en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.