ECLI:NL:CRVB:2019:1959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet-nakoming arbeidsinschakeling zonder dringende redenen
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en is verplicht deel te nemen aan arbeidsinschakeling. Hij is aangemeld voor een stage bij een re-integratieorganisatie, maar verscheen op de eerste stagedag niet. Het college legde daarop een maatregel op van 100% verlaging van de bijstand voor één maand. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond.
In hoger beroep stelt appellant dat persoonlijke, medische en financiële problemen hem verhinderden de stage te volgen. Hij overlegt medische verklaringen en verwijst naar het verlies van familieleden. De Raad oordeelt echter dat deze omstandigheden niet leiden tot het ontbreken van verwijtbaarheid. De medische stukken betreffen een latere periode en het eerdere verlies van familieleden maakt niet aannemelijk dat hij op de stagedag niet kon verschijnen.
De Raad benadrukt dat het college beoordelingsvrijheid heeft bij het vaststellen van dringende redenen en dat de maatregel in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en de verzamelverordening. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand blijft van kracht.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% gedurende één maand wordt bevestigd wegens het niet gebruiken van een aangeboden arbeidsinschakelingsvoorziening zonder dringende redenen.