ECLI:NL:CRVB:2019:1948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met vader jongste kind
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en stond ingeschreven op een adres waar ook haar moeder woonde. De vader van haar jongste kind, X, stond van 2010 tot 2016 ingeschreven op hetzelfde adres. Naar aanleiding van een anonieme tip voerde de gemeente Almere een onderzoek uit, waarna de bijstand van appellante werd ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met X zonder dit te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde met X omdat zij ook bij haar moeder woonde en dat zij haar meldingsplicht niet had geschonden. De Raad oordeelde dat het wettelijke vermoeden van gezamenlijke huishouding geldt indien twee personen met een kind samen op één adres wonen, ongeacht het feit dat ook een derde persoon daar woont.
Verder stelde de Raad vast dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij X had gemeld als inwoner, en dat haar eigen verklaring tegenover sociaal rechercheurs als betrouwbaar werd beschouwd. De Raad concludeerde dat appellante en X gedurende de relevante periode een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van haar jongste kind en dit niet heeft gemeld.