ECLI:NL:CRVB:2019:1916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot uitbetaling alleenstaande ouderkorting bij beslaglegging
Appellante ontvangt sinds 1997 bijstand als alleenstaande ouder en kreeg maandelijks de alleenstaande ouderkorting (AOK) in mindering gebracht op haar bijstand. Door beslaglegging op de AOK in 2014 kon zij niet over deze middelen beschikken, terwijl het dagelijks bestuur deze korting wel in mindering bracht op haar bijstand. Appellante verzocht daarom om uitbetaling van de ingehouden AOK.
De rechtbank oordeelde dat het dagelijks bestuur artikel 4:6 Awb Pro ten onrechte had toegepast, maar wees het verzoek af omdat bijstand niet wordt verstrekt voor schulden en er geen bijzondere omstandigheden waren. In hoger beroep stelde appellante dat de AOK niet als middel kon worden beschouwd waarover zij redelijkerwijs kon beschikken vanwege het beslag.
De Raad overwoog dat de AOK een heffingskorting is en tot de middelen behoort waarover een bijstandsgerechtigde beschikt, ook als beslag is gelegd. Volgens vaste rechtspraak moet 'beschikken' worden uitgelegd als feitelijk kunnen aanwenden van middelen. Omdat beslaglegging tot de beslagvrije voet beperkt is, kan een betrokkene in ieder geval over ongeveer 90% van de bijstandsnorm beschikken. Het verzoek om uitbetaling van de ingehouden AOK zou neerkomen op bijstand voor schulden, wat niet is toegestaan.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot uitbetaling van de AOK af. Ook het verzoek om vergoeding van schade werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om uitbetaling van de alleenstaande ouderkorting die door beslag is onttrokken, wordt afgewezen.