ECLI:NL:CRVB:2019:1891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, voormalig taxichauffeur, meldde zich ziek met psychische en fysieke klachten en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Na een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) oordeelde een verzekeringsarts dat zij belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV stelde vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar ziekengelduitkering.
Appellante voerde bezwaar aan tegen deze besluiten, ondersteund door medische rapporten waaronder van verzekeringsarts Fokke en reumatoloog Wenink, die stelden dat haar beperkingen werden onderschat. De rechtbanken oordeelden echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en geschiktheid voor geselecteerde functies medisch verantwoord waren vastgesteld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad achtte het medisch onderzoek zorgvuldig en vond geen aanleiding om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid en geschiktheid voor de functies. De Raad verwierp de ingebrachte aanvullende medische stukken omdat deze onvoldoende aanleiding gaven het eerdere oordeel te herzien.
De Raad concludeerde dat appellante terecht geen recht meer had op ziekengeld en dat de besluiten van het UWV in stand konden blijven. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 5 juni 2019.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd en de besluiten van het UWV worden bevestigd.