ECLI:NL:CRVB:2019:1883
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag vervoersvoorziening wegens ontbreken medische noodzaak bij PTSS
Appellant, een gewezen dienstplichtig militair met PTSS en een depressieve stoornis, vroeg op 4 juli 2016 een vervoersvoorziening aan om zijn minderjarige dochter wekelijks te bezoeken in het kader van een omgangsregeling. Na medische beoordeling door verzekeringsartsen werd geconcludeerd dat appellant zich buitenshuis kan verplaatsen en het openbaar vervoer kan gebruiken zonder medische belemmeringen.
De aanvraag werd afgewezen en dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de klachten van appellant niet zodanig ernstig zijn dat het gebruik van openbaar vervoer onmogelijk is. De Raad volgde deze lijn en benadrukte dat alleen bij ernstige psychische beperkingen, zoals fobische klachten of paniekstoornissen die het openbaar vervoer normaal gesproken verhinderen, een vervoersvoorziening kan worden toegekend.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat reizen met openbaar vervoer onwenselijk is vanwege zijn klachten, maar de Raad oordeelde dat dit onvoldoende is voor een medische indicatie. Ook een recentere medische verklaring en verzoek tot aanhouding werden afgewezen omdat deze te ver van de peildatum afstaan. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De vervoersvoorziening is terecht afgewezen omdat niet is gebleken dat reizen met openbaar vervoer om medische redenen onmogelijk is.