ECLI:NL:CRVB:2019:1878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante was werkzaam als teamassistente en meldde zich ziek wegens nek- en hoofdpijnklachten. Het Uwv kende haar ziekengeld toe op grond van de Ziektewet. Na een toetsing in het tweede ziektejaar stelde een verzekeringsarts met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) beperkingen vast, waarna het Uwv concludeerde dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, dat haar beperkingen werden onderschat en dat het beginsel van equality of arms werd geschonden omdat geen deskundige werd benoemd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, ook al was appellante niet persoonlijk onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad stelde dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om haar medische situatie toe te lichten met stukken van diverse specialisten. Er was geen schending van het equality of arms-beginsel.
De Raad vond de beperkingen in de FML passend en voldoende gemotiveerd, waarbij ook scoliose, rug- en nekklachten waren meegewogen. Latere medische gegevens over een WIA-uitkering waren niet relevant voor de situatie op het moment van het besluit. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.