ECLI:NL:CRVB:2019:1860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget AWBZ na onvoldoende verantwoording
Appellant ontving voor 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) van €21.049,35 voor AWBZ-zorg. Het zorgkantoor stelde het pgb bij besluit van 27 januari 2016 vast op €11.639,04 en vorderde €9.410,31 terug, omdat de verantwoording van zorgkosten over de eerste helft van 2012 onvoldoende was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond en wees ook het verzoek om herziening af.
In hoger beroep betoogde appellant dat de belangenafweging onredelijk was, dat de zorgomschrijving voldoende duidelijk was en dat hij in bewijsnood verkeerde door het niet langer actief zijn van de zorgverlener. De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan de administratieve verplichtingen en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk was verleend en betaald. De Raad stelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen.
De Raad bevestigde dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit niet evident onredelijk was. Er was geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraken. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de aangevallen uitspraken van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de lagere vaststelling en terugvordering van het pgb worden bevestigd.