ECLI:NL:CRVB:2019:1828
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering over september 2016
Appellant ontving vanaf 25 juli 2016 een WW-uitkering, berekend op basis van een arbeidsurenverlies van 42 uur per week en een maandloon van €2.037,11. In september 2016 werkte appellant bij een werkgever en gaf aan over die maand een inkomen van €306,17 te hebben genoten. Het UWV ontdekte echter dat de werkgever een SV-loon van €1.978,43 had opgegeven voor die maand, waardoor appellant onterecht een WW-uitkering van €1.167,07 bruto ontving.
Het UWV herzag daarom bij besluit van 13 december 2016 de WW-uitkering met ingang van 1 september 2016 en vorderde het teveel ontvangen bedrag terug. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. De rechtbank Noord-Nederland oordeelde eveneens dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij te veel uitkering ontving en dat het UWV correct had gehandeld.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet kon weten hoe de werkgever aangifte deed, omdat hij per vier weken werd betaald terwijl de werkgever per maand aangifte deed. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit niet relevant is voor de vraag of het hem redelijkerwijs duidelijk was dat hij teveel ontving. Het UWV had op grond van de wettelijke bepalingen terecht de uitkering herzien en het bedrag teruggevorderd. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WW-uitkering over september 2016 door het UWV.