ECLI:NL:CRVB:2014:1553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te hoge WW-uitkering ondanks informatieplicht appellant
Appellant was werkzaam bij twee werkgevers en ontving een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) inclusief de uren die hij bij de tweede werkgever werkte. Na 31 augustus 2010 werkte hij nog bij deze tweede werkgever en ontving inkomsten, wat niet was verwerkt in de WW-uitkering.
Het UWV herzag de uitkering met terugwerkende kracht en vorderde een bedrag terug wegens te veel ontvangen uitkering. Appellant voerde aan dat hij alle relevante gegevens had doorgegeven en dat het UWV een fout had gemaakt, en stelde dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen.
De rechtbank oordeelde dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij een te hoge uitkering ontving en dat er geen dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde de uitspraak, waarbij werd benadrukt dat het niet uitmaakt dat appellant zijn informatieplicht niet had geschonden en dat het UWV de uren niet correct had verwerkt.
Appellant heeft onvoldoende onderbouwd waarom terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zou leiden. De Raad concludeerde dat het UWV terecht heeft gehandeld en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de te hoge WW-uitkering bevestigd.