Uitspraak
17 4857 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving vanaf 1 april 2009 bijstand met toestemming om als kunstschilder op kleine schaal activiteiten te verrichten, onder strikte voorwaarden. Het college trok de bijstand in per 1 april 2009 en vorderde terugbetaling wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht en onvolledige opgave van inkomsten en vermogen.
De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat betrokkene meer schilderactiviteiten verrichtte dan toegestaan of zijn inlichtingenplicht had geschonden. Ook was er geen bewijs van een onbekende geldstroom of vermogenstoeval door bezit van meerdere voertuigen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. Het college had onvoldoende bewijs geleverd dat betrokkene de voorwaarden had overschreden of onjuiste gegevens had verstrekt. Daarnaast werd het belang van rechtszekerheid benadrukt: een eenmaal genomen besluit mag niet met terugwerkende kracht worden herroepen zonder nieuwe feiten.
De Raad veroordeelde het college tot betaling van proceskosten en legde griffierecht op. Hiermee werd het beroep van het college afgewezen en bleef het recht op bijstand van betrokkene gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt verworpen en het intrekkingsbesluit bijstand blijft vernietigd.