ECLI:NL:CRVB:2019:1746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging WIA-uitkeringsbesluit wegens onjuiste vaststelling beperkingen
Betrokkene, werkzaam als hoofd binnendienst, viel in 2008 uit wegens oogklachten en ontving een WIA-uitkering. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2012 wijzigde het UWV in 2014 de uitkering, die later bij bezwaar werd beëindigd. De rechtbank vernietigde dit besluit, oordeelde dat het UWV onjuiste aannames deed over de beperkingen, en veroordeelde de Staat tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep voerden het UWV en de werkgever aan dat het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde oogarts Beers twijfelachtig was en dat betrokkene mogelijk recht had op een IVA-uitkering. Betrokkene stelde dat de rechtbank ten onrechte niet had geoordeeld over haar beperking ten aanzien van lichtsterkte.
De Raad oordeelde dat de werkgever tijdig hoger beroep had ingesteld en bevestigde dat betrokkene lijdt aan een ernstige oogaandoening met dubbelzien en bewegende beelden. De deskundige Beers stelde dat afplakken van één oog leidt tot onherstelbare schade en dat dit niet van betrokkene mag worden verwacht. Het UWV mocht daarom niet uitgaan van een fictieve situatie waarin betrokkene afplakt.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat het UWV het besluit terecht had vernietigd en wees het incidenteel hoger beroep van betrokkene af. Het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens afgewezen, aangezien de rechtbank de Staat reeds had veroordeeld. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan betrokkene en de werkgever.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het UWV-besluit en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.