ECLI:NL:CRVB:2019:1671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar bijstand intrekking
Appellant diende op 15 juli 2015 een aanvraag om bijstand in, die aanvankelijk werd afgewezen maar later met terugwerkende kracht toegekend. Het college trok de bijstand met ingang van 11 november 2015 in vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij pas op 20 september 2016 bekend werd met het intrekkingsbesluit, omdat zijn gemachtigde het besluit toen ontving in een andere bezwaarprocedure. De Raad oordeelde dat het college het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend had gemaakt, maar dat appellant uit zijn gedrag wel op de hoogte had kunnen zijn.
Echter vond de Raad dat de omstandigheden die het college als contra-indicaties aanvoerde onvoldoende waren om te concluderen dat appellant eerder bekend was met het besluit. De Raad stelde vast dat appellant ook zonder kennis van het besluit op de hoogte kon zijn van de intrekking, omdat hij geen bijstand ontving. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en droeg het college op opnieuw op het bezwaar te beslissen, met de mogelijkheid van beroep alleen bij de Raad.
Tot slot veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van bijstand is terecht tijdig ingediend; het college moet opnieuw beslissen op het bezwaar.