ECLI:NL:CRVB:2019:1667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.L. Boxum
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens verzwegen werkzaamheden voor eigen voetbalschool
Appellant ontvangt sinds 2014 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant een eigen voetbalschool exploiteert en daarvoor betalingen ontvangt, heeft het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld. Dit leidde tot het besluit om de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken wegens het niet melden van op geld waardeerbare werkzaamheden.
Appellant voerde aan dat zijn werkzaamheden vrijwillig waren en dat hij zelf geen inkomsten ontving, maar dit werd verworpen. Volgens vaste rechtspraak is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten relevant voor het recht op bijstand, ongeacht de intentie of daadwerkelijke inkomsten. Appellant had zijn werkzaamheden moeten melden, maar heeft dit nagelaten.
De Raad oordeelt dat de inlichtingenplicht is geschonden en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht had op bijstand als hij wel had gemeld. Er ontbreken objectieve gegevens over de omvang van zijn werkzaamheden en inkomsten. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet melden van werkzaamheden voor de voetbalschool wordt bevestigd.