ECLI:NL:CRVB:2019:1636

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 mei 2019
Publicatiedatum
16 mei 2019
Zaaknummer
16/4576 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 7:15 AwbAlgemene Kinderbijslagwet
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering kinderbijslag en toekenning met terugwerkende kracht

Appellante heeft in april 2015 kinderbijslag aangevraagd voor haar twee kinderen, maar haar aanvraag werd op 17 juli 2015 afgewezen omdat zij niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat zij wel degelijk ingezetene was van Nederland. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft vervolgens bij brief van 19 maart 2019 meegedeeld dat zij alsnog met ingang van het tweede kwartaal van 2014 kinderbijslag zal ontvangen, inclusief wettelijke rente en vergoeding van proceskosten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het besluit van 17 juli 2015 ten onrechte is geweigerd en vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Tevens wordt het besluit van 17 juli 2015 herroepen. De Svb wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de na te betalen kinderbijslag en tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief griffierechten.

De totale proceskostenvergoeding aan appellante bedraagt €2.560,-. Hiermee wordt recht gedaan aan de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit en de vertraging in de toekenning van de kinderbijslag.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot weigering kinderbijslag en kent deze toe met terugwerkende kracht, inclusief rente en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

16.4576 AKW

Datum uitspraak: 3 mei 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van
21 juni 2016, 15/7286 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Türk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting is aan de orde gesteld op 22 maart 2019. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft eind april 2015 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet
aangevraagd ten behoeve van haar kinderen [kind 1 en kind 2], geboren op respectievelijk
[datum 1 en datum 2]. Bij besluit van 17 juli 2015 is de aanvraag om kinderbijslag afgewezen, omdat appellante niet als ingezetene van Nederland wordt beschouwd.
1.2.
Het tegen dit besluit namens appellante ingediende bezwaar heeft de Svb bij besluit van
27 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij wel ingezetene van Nederland was.
3.2.
De Svb heeft bij brief van 19 maart 2019 aan appellante meegedeeld dat aan haar alsnog met ingang van het tweede kwartaal van 2014 kinderbijslag zal worden toegekend. Tevens zal de wettelijke rente over de na te betalen kinderbijslag worden uitbetaald en zullen de proceskosten worden vergoed. Appellante heeft in reactie hierop te kennen gegeven dat zij tevens de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep en het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoed wenst te zien.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Nu, gelet op de brief van 19 maart 2019, moet worden geoordeeld dat bij besluit van 17 juli 2015 ten onrechte is geweigerd om aan appellante kinderbijslag toe te kennen, zal de Raad het besluit van 27 oktober 2015 en de aangevallen uitspraak vernietigen. Tevens zal de Raad het besluit van 17 juli 2015 herroepen. Appellante heeft met ingang van het tweede kwartaal van 2014 recht op kinderbijslag ten behoeve van haar twee onder 1.1 vermelde kinderen.
4.2.
Het verzoek van appellante om de Svb te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
4.3.
Nu bij deze uitspraak het besluit van 17 juli 2015 wordt herroepen wegens aan de Svb te wijten onrechtmatigheid, zal de Svb op grond van artikel 8:75 in Pro verbinding met artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht worden veroordeeld in de kosten van appellante in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- aan kosten van rechtsbijstand.
4.4.
Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en op € 512,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.536,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • herroept het besluit van 17 juli 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het
besluit van 17 juli 2015;
- veroordeelt de Svb tot vergoeding aan appellante van de schade zoals onder 4.2 van deze
uitspraak is vermeld;
  • veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.560,-;
  • bepaalt dat de Svb aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van
in totaal € 169,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en M.A.H. van Dalen‑van Bekkum en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2019.
(getekend) M.M. van der Kade
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
lh