Uitspraak
OVERWEGINGEN
maatmaninkomen te verdienen;
Centrale Raad van Beroep
Appellante, jonggehandicapte en werkzaam in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw), kreeg haar Wajong-arbeids- en inkomensondersteuning beëindigd door het UWV omdat zij vijf jaar onafgebroken had gewerkt en ten minste 75% van het maatmaninkomen verdiende. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de wet geen onderscheid maakt tussen Wsw-arbeid en andere arbeid.
In hoger beroep betoogde appellante dat de beëindiging onterecht was omdat de inkomsten uit Wsw-arbeid volgens de wet buiten beschouwing moeten blijven bij de beoordeling van het recht op Wajong-ondersteuning. Zij verwees naar haar indicatie voor speciale werkbegeleiding die vergelijkbaar is met de in de Wajong genoemde voorzieningen.
De Raad oordeelde dat artikel 2:5, vierde lid, van de Wajong bepaalt dat inkomsten uit Wsw-arbeid niet mogen worden meegeteld bij de vaststelling of iemand meer dan 75% van het maatmaninkomen kan verdienen. Dit geldt ook bij toepassing van artikel 2:16, tweede lid, dat bepaalt dat het recht op ondersteuning pas eindigt na vijf jaar werken en het verdienen van ten minste 75% van het maatmaninkomen. De Raad vernietigde het besluit en het bestreden vonnis en herroept het besluit van het UWV. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot beëindiging van de Wajong-arbeids- en inkomensondersteuning wordt vernietigd en herroepen omdat inkomsten uit Wsw-arbeid niet mogen worden meegeteld.