ECLI:NL:CRVB:2019:1601
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage Zvw voor verdragsgerechtigd gezinslid in Duitsland
Appellant, werkzaam in Nederland en woonachtig in Duitsland met zijn echtgenote, is op grond van artikel 17 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004 gerechtigd tot verstrekkingen in Duitsland ten laste van Nederland. CAK stelde buitenlandbijdragen vast over de jaren 2012, 2013 en 2014 voor de echtgenote en wees bezwaren af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de termijnoverschrijding van CAK niet leidde tot vernietiging van de besluiten en dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij op basis van telefonische mededelingen mocht vertrouwen dat geen bijdragen verschuldigd waren en dat het onwaarschijnlijk was dat CAK pas in 2015 op de hoogte was van de meeverzekering. CAK handhaafde haar standpunt dat de termijnoverschrijding niet tot vernietiging leidt.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank, bevestigde dat de echtgenote verdragsgerechtigd gezinslid is en dat CAK de bijdrage terecht in rekening bracht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde wegens het ontbreken van ondubbelzinnige toezeggingen. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de buitenlandbijdragen voor de echtgenote worden bevestigd.