ECLI:NL:CRVB:2019:1573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet wegens onvoldoende onderbouwing
Appellant, woonachtig in Duitsland en pensioengerechtigd, werd door het CAK als verdragsgerechtigde aangemerkt en kreeg een voorlopige jaarafrekening 2014 opgelegd voor de buitenlandbijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet. Het CAK baseerde de berekening op gegevens van de Belastingdienst en pensioenuitkeringen, maar er waren onverklaarde verschillen tussen de Fibase-gegevens, jaaropgaven en de voorlopige jaarafrekening.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het CAK terecht was uitgegaan van de bruto inkomensgegevens van de Belastingdienst. Appellant stelde in hoger beroep dat nabetalingen over 2013 niet in de grondslag voor de buitenlandbijdrage mochten worden meegenomen omdat hij pas vanaf 3 april 2014 bijdrageplichtig was.
De Raad constateerde dat het CAK de verschillen in de gegevens niet kon verklaren en dat de voorlopige jaarafrekening onvoldoende was onderbouwd. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en het besluit van 4 september 2015, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde het CAK in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het CAK over de buitenlandbijdrage 2014 wordt vernietigd.