ECLI:NL:CRVB:2019:1552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vervoersvoorziening scootmobiel en aanvullend openbaar vervoer adequaat volgens CRvB
Appellant, geboren in 1973, heeft diverse lichamelijke klachten en vroeg het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een maatwerkvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen. Dit verzoek werd afgewezen met verwijzing naar medische adviezen die stelden dat een combinatie van scootmobiel en aanvullend openbaar vervoer (AOV) alleenreizend voldoende was.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch advies van het Indicatieadviesbureau Amsterdam (IAB) zorgvuldig en inhoudelijk juist was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat deze combinatie geen passende oplossing bood vanwege zijn longklachten, wachttijden en overgevoeligheid voor geuren.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het IAB, dat op basis van medisch onderzoek en overleg met de behandelend longarts concludeerde dat de combinatie van scootmobiel en AOV-alleenreizend adequaat is. De Raad stelde vast dat appellant planbaar gebruik kan maken van deze voorziening en dat er geen aanwijzingen zijn dat de overgevoeligheid voor geuren het gebruik onmogelijk maakt.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak omdat het college in beroep een gewijzigd besluit had genomen dat niet als zodanig was erkend door de rechtbank. Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit werd gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, terwijl het beroep tegen het nadere besluit ongegrond werd verklaard. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De Raad vernietigt het oorspronkelijke besluit en verklaart het beroep gegrond, maar verklaart het beroep tegen het nadere besluit ongegrond.