ECLI:NL:CRVB:2019:154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende bewijs dienstbetrekking
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd wegens arbeidsongeschiktheid per 1 oktober 2010. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft vastgesteld dat appellant niet verzekerd was op die datum, en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna appellant hoger beroep instelde.
Appellant stelde dat hij van 1 januari 2009 tot 1 november 2010 in loondienst was bij een werkgever. Ter onderbouwing overhandigde hij loonstroken en banktransactieoverzichten, maar deze gegevens waren onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk in dienstbetrekking stond. Het dossier bevatte meer aanwijzingen tegen dan voor zijn stelling.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bewijslast bij appellant lag om aannemelijk te maken dat hij verzekerd was voor de Wet WIA op de relevante datum. Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs bevestigde de Raad het besluit van het Uwv en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De WIA-uitkering wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij verzekerd was op grond van de Wet WIA.