Uitspraak
18.3667 BABW
Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft op 10 augustus 2015 een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een passagier aangevraagd, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen op basis van medische adviezen van de GGD. Deze adviezen stelden dat appellante niet continu afhankelijk is van begeleiding van deur tot deur, een vereiste voor toekenning van de kaart.
Na bezwaar en nadere medische adviezen bleef het college bij haar standpunt en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel en stelde dat het college zich terecht baseerde op objectieve en zorgvuldige medische adviezen. Appellante voerde onder meer aan dat zij vanwege artrose in haar knie continu afhankelijk is van hulp, maar kon dit niet overtuigend onderbouwen.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank gevolgd. De Raad stelde vast dat appellante weliswaar niet zelfstandig meer dan 100 meter kan lopen, maar dat uit de medische adviezen blijkt dat zij niet continu begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer. Ook het argument over de parkeerdruk in Amsterdam en de ziekte van Crohn werd niet voldoende onderbouwd.
De Raad concludeerde dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier is afgewezen omdat niet is gebleken dat appellante continu afhankelijk is van begeleiding.