ECLI:NL:CRVB:2004:AO8395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid tot vervroegde ingangsdatum halfwezenuitkering zonder bijzonder geval
Appellant diende een aanvraag in voor nabestaanden- en halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), met verzoek tot terugwerkende kracht vanaf het overlijden van zijn echtgenote in april 1999. Gedaagde kende de halfwezenuitkering toe met ingang van juni 2000, één jaar vóór de aanvraagdatum, conform de wettelijke regeling.
Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum, stellende dat hij niet eerder van de uitkering wist en dat zijn emotionele toestand hem verhinderde eerder aan te vragen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en gedaagde handhaafde dit besluit. In hoger beroep werd overwogen dat er geen sprake was van een bijzonder geval dat afwijking van de wettelijke termijn rechtvaardigt.
De Raad oordeelde dat onbekendheid met rechten niet zonder bijkomende omstandigheden tot een bijzonder geval leidt. De media-aandacht voor de Anw en de algemene kennis dat bij overlijden van een echtgenoot recht op uitkering kan ontstaan, maken het argument van appellant onvoldoende. Tevens werd het ontbreken van medische onderbouwing van zijn psychische gesteldheid meegewogen. De Raad bevestigde het besluit van gedaagde en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de ingangsdatum van de halfwezenuitkering blijft één jaar vóór de aanvraagdatum.