ECLI:NL:CRVB:2019:148
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek uitbreiding huishoudelijke hulp wegens ontbreken medische noodzaak
Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer met psychische invaliditeit, verzocht om uitbreiding van de huishoudelijke hulp van één naar twee dagdelen per week. Verweerder wees dit verzoek af omdat appellant nog in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en er geen medische noodzaak is voor uitbreiding.
De Raad toetste het besluit aan het geldende beleid en de medische adviezen van twee geneeskundige adviseurs, die concludeerden dat appellant geen noodzaak heeft voor meer dan het toegekende dagdeel. Tijdens het persoonlijk onderhoud bleek appellant diverse lichte huishoudelijke taken nog te kunnen uitvoeren.
Het beroep werd ongegrond verklaard omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat is tot lichte huishoudelijke werkzaamheden en er geen sprake was van (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag. De Raad zag geen reden voor een second opinion of nieuw medisch onderzoek.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt het beleid omtrent toekenning van huishoudelijke hulp op grond van medische noodzaak en benadrukt het belang van medische adviezen en feitelijke beoordeling van de mogelijkheden van de aanvrager.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van uitbreiding van huishoudelijke hulp wordt ongegrond verklaard.