ECLI:NL:CRVB:2019:142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld na eerstejaarsbeoordeling Ziektewet
Appellante was werkzaam als countermedewerkster en meldde zich in 2010 ziek met knie- en enkelklachten. Na een wachttijd stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. Later meldde zij zich opnieuw ziek met cardiologische en gynaecologische klachten en ontving zij een Ziektewetuitkering.
In een eerstejaarsbeoordeling werd vastgesteld dat appellante met beperkingen nog 71,88% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarom het ziekengeld, wat door appellante werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige rapporten.
Appellante voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, waaronder een beroep op het discriminatieverbod van het EVRM en IVBPR, maar de Raad volgde de rechtbank en bevestigde het besluit. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling voldoende was en dat geen sprake was van schending van het discriminatieverbod. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.