ECLI:NL:CRVB:2019:1301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit Sociale Verzekeringsbank over vrijwillige AOW-verzekering en premiebetaling
De appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) omtrent de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) over de periode van 13 oktober 2004 tot 14 augustus 2012. De Raad had eerder geoordeeld dat appellant en zijn echtgenote niet verzekerd waren geweest en dat de Svb een nieuw besluit moest nemen. De Svb bood vervolgens een vrijwillige verzekering aan onder voorwaarden met premiebetaling.
Appellant stelde in hoger beroep dat de premie onaanvaardbaar hoog was en dat hem een vrijwillige verzekering zonder premiebetaling had moeten worden aangeboden vanwege het door de Svb veroorzaakte nadeel. De Svb stelde dat zij conform de eerdere uitspraak had gehandeld en dat de premie dwingendrechtelijk was voorgeschreven.
De Raad oordeelde dat de Svb de vrijwillige verzekering op juiste wijze had aangeboden en dat er geen grond was om af te zien van premiebetaling of om gunstigere voorwaarden te bieden. De stelling dat appellant eerder had kunnen deelnemen en de premie gespreid had kunnen betalen werd verworpen, evenals het betoog dat appellant nadeel had geleden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.