Uitspraak
17.4985 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2019.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WW-uitkering vanaf 1 augustus 2013. Het UWV stelde bij besluit van 15 oktober 2015 vast dat appellant vanaf 11 november 2013 werkzaamheden verrichtte in het bedrijf van zijn zoon en in februari 2014 bij een ander bedrijf, zonder dit te melden. Hierdoor werd de uitkering herzien en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de herziening en terugvordering ongegrond. De rechtbank baseerde zich op de eigen verklaring van appellant waarin hij aangaf circa 30 uur per week te hebben gewerkt, waaronder diverse op geld waardeerbare werkzaamheden. De aanwezigheid en werkzaamheden werden als arbeidsuren aangemerkt, en het UWV schatte de omvang van de werkzaamheden terecht.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het aantal uren lager was en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV op basis van de eigen verklaring van appellant en de omstandigheden een zorgvuldige schatting heeft gemaakt. Onzekerheid over het aantal uren kan niet in het voordeel van appellant worden uitgelegd.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep ongegrond en verhoogt de boete niet vanwege draagkracht. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WW-uitkering en verlaagt de boete naar € 10,-.