ECLI:NL:CRVB:2019:1263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over inkomensverrekening WW-uitkering en afwijzing schadevergoeding
Appellant maakte bezwaar tegen de vermindering van zijn WW-uitkering door het UWV vanwege inkomsten uit arbeid. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de regelgeving correct had toegepast en het voorschot terecht had uitbetaald. In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte het motiveringsgebrek van het UWV had gepasseerd en dat er sprake was van een onrechtvaardig onderscheid tussen uitkeringsgerechtigden. Tevens werd een inbreuk op het eigendomsrecht volgens het EVRM aangevoerd en werd schadevergoeding geëist.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant wel degelijk procesbelang heeft omdat het voorschot te laag bleek en hij daardoor mogelijk schade heeft geleden. Echter heeft appellant zijn stellingen onvoldoende onderbouwd, met name over het motiveringsgebrek en het onderscheid tussen groepen uitkeringsgerechtigden. Ook het beroep op het EVRM werd verworpen omdat de wetswijziging niet in het nadeel van appellant was.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.