ECLI:NL:CRVB:2019:1230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ANW-uitkering wegens minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
Na het overlijden van haar echtgenoot ontving appellante een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) omdat zij ten minste 45% arbeidsongeschikt was. Na een herbeoordeling door het UWV werd vastgesteld dat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt was, waarop de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de uitkering introk per 1 november 2013. Appellante maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellante ging in hoger beroep tegen dit laatste standpunt. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die het eerdere oordeel bevestigde dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld en dat zij in staat was de geselecteerde functies te verrichten.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het besluit van de rechtbank. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met ruim negentien maanden was overschreden, waardoor appellante een schadevergoeding van € 2.000,- toekomt, waarvan een deel door de Svb en een groter deel door de Staat moet worden betaald. Ook werden proceskosten toegekend aan appellante.
Uitkomst: De intrekking van de ANW-uitkering wordt bevestigd en appellante ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.