ECLI:NL:CRVB:2019:1168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet nakomen medewerkingsplicht woon- en leefsituatie
Appellant, na detentie, diende een aanvraag om bijstand in met terugwerkende kracht vanaf de datum van zijn vrijlating. Hij gaf aan te wonen op een adres waar hij een kamer huurt en overhandigde een huurverklaring. Het college stelde daarop een onderzoek in en probeerde huisbezoeken af te leggen, maar trof appellant niet aan. Vervolgens werd appellant uitgenodigd voor een gesprek om aanvullende informatie te verstrekken over zijn woon- en leefsituatie, met de waarschuwing dat bij niet verschijnen de aanvraag niet behandeld zou worden.
Appellant verscheen niet op de oproep voor het gesprek om 8:00 uur, hoewel hij wel op een ander gesprek om 10:00 uur aanwezig was, dat echter geen betrekking had op de bijstand. Het college wees de aanvraag af wegens het niet nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat het college bevoegd was het gesprek te gelasten en dat het niet verschijnen een schending van de medewerkingsplicht is die rechtvaardigt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het feit dat appellant later alsnog bijstand kreeg toegekend op basis van gewijzigde omstandigheden, doet hieraan niet af. De Raad wees ook het beroep af dat appellant een hersteltermijn had moeten krijgen, omdat het college niet van de specifieke aanvullende bevoegdheid gebruik had gemaakt en de aanvraag inhoudelijk had beoordeeld.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat de afwijzing terecht was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens het niet nakomen van de medewerkingsplicht door appellant.