ECLI:NL:CRVB:2019:1148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende beperkingen volgens deskundigenrapport
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd wegens fysieke en psychische klachten, maar het UWV stelde vast dat hij met de geselecteerde functies meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de beperkingen volgens medisch onderzoek adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onderschat waren en dat hij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken vaststelde, maar geen toename in ernst sinds de datum in geding. De deskundige concludeerde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) passend waren.
Appellant betoogde aanvullende beperkingen, maar de Raad volgde het deskundigenrapport en het UWV dat geen aanleiding gaf voor extra beperkingen. De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en consistent was en dat het hoger beroep niet slaagt.
Daarnaast werd een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De Raad stelde vast dat de rechterlijke fase met negen maanden was overschreden en veroordeelde de Staat tot betaling van € 1.000,- aan appellant.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant heeft geen recht op WIA-uitkering; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.