ECLI:NL:CRVB:2019:1033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering en geen herleving van WW-uitkering na ziekteperiode
Appellant was werkzaam bij een werkgever en ontving een WW-uitkering die eindigde toen hij een nieuwe baan aanvaardde. Na een auto-ongeval meldde appellant zich ziek en ontving hij een Ziektewet-uitkering (ZW). Deze ZW-uitkering werd beëindigd na het bereiken van de maximale duur van 104 weken. Appellant vroeg vervolgens een WIA-uitkering aan, maar het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de aanvraag af. Ook de aanvraag voor herleving van de WW-uitkering werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de medische beoordeling op het einde van de wachttijd had uitgevoerd en dat er geen sprake was van een doorlopend ziektegeval dat recht zou geven op ZW-uitkering in plaats van WW-uitkering. Appellant stelde in hoger beroep dat vanaf 23 januari 2015 sprake was van een doorlopend ziektegeval en dat de WIA-beoordeling ten onrechte met terugwerkende kracht was gedaan.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank volledig. De Raad oordeelde dat de ZW-besluiten in rechte onaantastbaar zijn en dat de beoordeling van de WIA-aanvraag met terugwerkende kracht niet onzorgvuldig was. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering per 29 december 2015 en geen herleving van WW-uitkering; aangevallen uitspraak bevestigd.