ECLI:NL:CRVB:2018:959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling uitbetaling niet opgenomen vakantie- en VWS-uren bij tijdelijke ambtenaar
Appellante was vanaf oktober 2013 tijdelijk aangesteld als ambtenaar en werd later vrijgesteld van werkzaamheden. Zij verzocht om uitbetaling van niet opgenomen verlofuren, waaronder verplichte vakantie-uren en variabele werktijdsaldo (VWS-uren). De staatssecretaris bracht terecht het niet opgenomen verplichte vakantieverlof in mindering op het verlofsaldo en liet het resterende VWS-saldo buiten beschouwing.
De rechtbank oordeelde dat appellante verplicht was elk kalenderjaar minimaal 108 uur vakantie op te nemen en dat het opnemen van VWS-uren niet onverenigbaar is met vrijstelling van werkzaamheden. De Raad onderschreef dit oordeel en bevestigde dat het opgebouwde VWS-spaarsaldo slechts kan worden opgenomen in tijd voor tijd en niet uitbetaald wordt.
Appellante voerde aan dat het opnemen van vakantieverlof niet verenigbaar was met haar vrijstelling, maar de Raad verwierp dit en stelde vast dat zij voldoende gelegenheid had gehad haar VWS-uren op te nemen. Er waren geen bijzondere omstandigheden om van de beleidsregels af te wijken. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.