Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was beroepsmilitair en maakte een overgang van de [Dienstonderdeel 1] naar de [Dienstonderdeel 2] waarbij hij van rang [rang 1] naar rang [rang 2] ging, een functie die twee rangen lager is. Hij verzocht om een overbruggingstoelage op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van het Inkomstenbesluit militairen (IBM). Dit verzoek werd afgewezen omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van een doorlopende aanstelling en overgang binnen dezelfde rang.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel. De Raad stelt vast dat de overgang in 2005 plaatsvond vóór de invoering van het Flexibel Personeelssysteem (FPS) waardoor geen sprake was van een doorlopende aanstelling. Bovendien is volgens de redelijke uitleg van artikel 9 IBM Pro vereist dat de overgang naar een ander krijgsmachtdeel binnen dezelfde rang moet zijn om aanspraak te maken op de overbruggingstoelage.
De Raad oordeelt dat de wetgever kennelijk niet beoogde om een lagere rang met lager salaris te compenseren via deze toelage, vooral niet als de lagere rang vrijwillig is gekozen. Het incidenteel hoger beroep van de commandant slaagt weliswaar omdat de rechtbank het tijdstip van invoering van het FPS niet had meegewogen, maar dit leidt niet tot vernietiging van de uitspraak. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt dat betrokkene geen recht heeft op overbruggingstoelage bij overgang naar lagere rang.