ECLI:NL:CRVB:2018:902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Wajong-uitkering en toeslag wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving vanaf 1998 een Wajong-uitkering en vanaf 2010 een toeslag. Het UWV stelde een onderzoek in naar haar inkomsten na signalen dat zij werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot die niet waren gemeld. Op basis van dit onderzoek trok het UWV per 1 juli 2011 de uitkering en toeslag in en vorderde het een bedrag van €54.659,62 terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, stellende dat zij de inlichtingenplicht had geschonden door haar inkomsten niet te melden. Het UWV had voldoende zorgvuldig onderzoek gedaan, onder meer via internetonderzoek, een hoorzitting en het opvragen van informatie bij hulplijnen. Appellante gaf onvoldoende inzicht in haar werkzaamheden en inkomsten, waardoor het UWV het volledige bedrag terugvorderde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij onder bewind stond en op advies van haar bewindvoerder de inkomsten niet hoefde te melden. Zij stelde bovendien zwakbegaafd te zijn en onvoldoende begrip te hebben gehad van het huisbezoek en de gevolgen. De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de verklaring van appellante niet onder druk was afgelegd, en dat haar zwakbegaafdheid onvoldoende was onderbouwd om haar verklaringen te betwijfelen.
Omdat appellante bewust geen inzicht gaf in de hoogte van haar inkomsten, kon het UWV geen schatting maken en was terugvordering van het volledige bedrag terecht. Ook was het terecht dat het UWV de uitkering aan appellante zelf betaalde, aangezien zij zelf het rekeningnummer had doorgegeven en het UWV pas later van de bewindvoering op de hoogte werd gesteld. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de Wajong-uitkering en toeslag wegens schending van de inlichtingenplicht.