ECLI:NL:CRVB:2018:898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eenmalige bijzondere uitkering op basis van invaliditeitspercentage bij militair
Betrokkene, een gewezen militair met een psychische aandoening van traumatische aard, ontving een militair invaliditeitspensioen. Zijn invaliditeitspercentage werd per 1 december 2012 vastgesteld op 18,33%. De staatssecretaris kende hem op basis hiervan een eenmalige bijzondere uitkering toe volgens de Regeling Ereschuld, later opgenomen in het Besluit AO/IV.
Betrokkene stelde dat de uitkering op basis van zijn arbeidsongeschiktheid van 100% moest worden berekend, omdat hij in 2006-2007 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving. De rechtbank vernietigde het besluit echter omdat het invaliditeitspercentage volgens haar hoger had moeten zijn. De Raad oordeelt dat op de peildatum 1 juni 2012 geen arbeidsongeschiktheid was vastgesteld en dat de definitieve mate van invaliditeit per 1 december 2012 leidend is.
De Raad wijst ook het beroep van betrokkene af dat de hardheidsclausule toegepast moest worden om een uitkering op basis van 100% te geven. Het medisch onderzoek in april 2012 toonde verbetering van zijn toestand. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de bijzondere uitkering is terecht berekend op basis van het invaliditeitspercentage van 18,33%.