ECLI:NL:CRVB:2018:888
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens middelen in lijfrentepolissen en levensverzekeringen
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf daarbij bezittingen aan in de vorm van lijfrentepolissen en levensverzekeringen. Het college wees de aanvraag af omdat de afkoopwaarde van deze verzekeringen boven het vrij te laten vermogen lag en appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor pensioenbescherming.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat het college niet correct had geanticipeerd op de Wet vrijlating lijfrenteopbouw, die per 1 april 2016 in werking trad en de voorwaarden voor het niet-betrekken van lijfrentes verschoof.
De Raad oordeelde dat het college buitenwettelijk begunstigend beleid hanteerde door de toekomstige wetgeving al toe te passen bij een aanvraag van vóór de inwerkingtreding. Dit beleid was echter consistent toegepast. Bovendien kon appellante niet aantonen dat de polissen als passende pensioenvoorziening konden worden aangemerkt, mede omdat zij eerder over de gelden kon beschikken.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijstand werd afgewezen omdat de aanvrager over voldoende middelen beschikte en het college het beleid consistent toepaste.