ECLI:NL:CRVB:2018:812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende duidelijkheid over bankstortingen
Appellante diende op 10 november 2015 een aanvraag in voor bijstand bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college verzocht haar om bankafschriften te overleggen om het recht op bijstand te beoordelen. Na onvoldoende informatie over kasstortingen in oktober en november 2015, werd de aanvraag op 21 december 2015 afgewezen en dit besluit gehandhaafd na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de stortingen leningen waren van familie en vrienden voor haar levensonderhoud. In hoger beroep stelde appellante dat deze stortingen wel degelijk leningen waren en dat dit het recht op bijstand voor december 2015 niet in de weg stond.
De Raad oordeelde dat appellante niet aan haar bewijslast had voldaan; de stellingen waren onvoldoende onderbouwd met objectieve gegevens. Bovendien was er een aanwijzing dat de stortingen verband konden houden met commerciële activiteiten als trouwplanner, wat niet was uitgesloten. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of zij voldeed aan de voorwaarden voor bijstand. Het beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd wegens onvoldoende duidelijkheid over stortingen.