ECLI:NL:CRVB:2018:8
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden samenwoning
Appellante ontving bijstand en bijzondere bijstand vanaf 1 mei 2009 en woonde op een bepaald adres. Vanaf 31 juli 2013 had W een postadres op datzelfde adres en woonde daar volgens getuigenverklaringen en verklaringen van appellante en W zelf vanaf 1 mei 2010. Het college stelde na onderzoek vast dat appellante niet had gemeld dat zij met W een gezamenlijke huishouding voerde en trok daarom de bijstand in en vorderde de kosten terug.
Appellante voerde aan dat haar en W's verklaringen onder psychische druk waren afgelegd en dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat W zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De Raad verwierp deze bezwaren, oordeelde dat de verklaringen rechtsgeldig waren en dat getuigenverklaringen en andere feiten voldoende grond boden om het hoofdverblijf van W op het uitkeringsadres aan te nemen.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 januari 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet melden van samenwoning.