ECLI:NL:CRVB:2018:74
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte berekening WW-dagloon op basis van laatste werkgever
Appellant was jarenlang werkzaam bij een eerste werkgever en trad vervolgens in dienst bij een tweede werkgever, waar hij slechts kort werkte. Na beëindiging van het dienstverband bij de tweede werkgever vroeg appellant een WW-uitkering aan. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van het loon bij de laatste werkgever. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het dagloon op deze wijze berekend disproportioneel was vanwege de korte duur bij de laatste werkgever.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het dagloon volgens het Dagloonbesluit 2013 uitsluitend mag worden berekend op het loon uit de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid voortkomt. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat toepassing van de hardheidsclausule en bijzondere omstandigheden tot een andere uitkomst zouden moeten leiden.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het Dagloonbesluit 2013 geen hardheidsclausule bevat en dat eerdere jurisprudentie bevestigt dat een lager dagloon door de werking van de wet geen reden is om hiervan af te wijken. Ook werd het beroep op artikel 12 van Pro het Dagloonbesluit verworpen omdat dit niet op appellant van toepassing is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.