ECLI:NL:CRVB:2018:696
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctiebesluit en afwijzing schadevergoeding in WIA-zaak
Een werknemer was ziek gemeld vanwege gedragsproblematiek en lichamelijke klachten. Het UWV legde een loonsanctie op aan de werkgever omdat de re-integratieverplichtingen niet waren nagekomen. De werkgever maakte bezwaar tegen het loonsanctiebesluit, maar stelde geen beroep in tegen het besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde, waardoor het besluit in rechte vaststaat.
De werkgever verzocht later om beëindiging van de loonsanctie vanwege gewijzigde medische omstandigheden van de werknemer, wat leidde tot een bekorting van de loonsanctieperiode. Vervolgens stelde de werkgever bezwaar tegen het WIA-uitkeringsbesluit met de stelling dat de ingangsdatum van de uitkering eerder had moeten zijn. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard omdat het loonsanctiebesluit en de bekorting daarvan vaststaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond. In hoger beroep herhaalde de werkgever haar standpunt dat haar eerdere brief als verzoek tot terugkomen van het loonsanctiebesluit moest worden gezien en dat het bezwaar tegen het WIA-besluit mede gericht was tegen de bekorting van de loonsanctie. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad oordeelde dat de brief van november 2014 niet als verzoek tot terugkomen op het loonsanctiebesluit kon worden opgevat en dat het bezwaarschrift tegen het WIA-besluit niet mede gericht was tegen het bekortingsbesluit. Er was geen aanleiding voor schadevergoeding en het verzoek daartoe werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het loonsanctiebesluit en wijst het verzoek om schadevergoeding af.