ECLI:NL:CRVB:2018:68
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing IOAZ-uitkering en maatregel wegens onverantwoorde intering vermogen
Appellante, een zelfstandig rijschoolhoudster, ontving een schadevergoeding en vroeg bijstand aan op grond van het Bbz 2004 en later een IOAZ-uitkering. Het college kende haar bijstand toe met een maatregel wegens onverantwoorde intering op haar vermogen, omdat zij in de drie jaar voorafgaand aan haar aanvraag aanzienlijk op haar vermogen had ingeteerd.
Appellante stelde dat zij haar bedrijf wilde beëindigen bij de aanvraag, maar pas later daadwerkelijk deed, mede door vermeende verkeerde informatie van het college over de IOAZ. De Raad oordeelde dat recht op IOAZ-uitkering pas bestaat na beëindiging van het bedrijf en dat appellante voldoende was geïnformeerd over deze voorwaarde.
Verder werd de maatregel wegens onverantwoorde intering gehandhaafd, omdat aflossing van een privélening niet als verantwoorde besteding van vermogen geldt. De Raad concludeerde dat de verlaging van de bijstand met 100% gedurende één maand rechtmatig was en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de eerdere IOAZ-uitkering en de opgelegde maatregel wegens onverantwoorde intering.