ECLI:NL:CRVB:2018:640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-aantoonbare besteding ontvangen gelden
Appellante ontving sinds 2009 bijstand op grond van de WWB. Tijdens een rechtmatigheidsonderzoek bleek dat zij in de periode van augustus 2013 tot juli 2014 meerdere stortingen ontving van familieleden en bekenden, waaronder een bedrag van ruim €20.000. Deze gelden werden niet als leningen met bewijsstukken onderbouwd en appellante kon vrij over deze gelden beschikken.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam besloot daarom een bedrag van €7.573,43 terug te vorderen, omdat de stortingen als inkomen werden aangemerkt en appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gelden bedoeld waren voor het levensonderhoud van haar in Italië gedetineerde zoon, zoals vereist op grond van artikel 31, tweede lid, WWB. Verklaringen van appellante en derden die dit stelden werden niet geloofwaardig geacht, mede omdat deze pas werden afgelegd nadat het duidelijk werd dat de gelden als inkomen zouden worden aangemerkt.
Daarmee is het hoger beroep ongegrond verklaard en blijft de terugvordering van de bijstand in stand. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand van €7.573,43 wordt bevestigd.