ECLI:NL:CRVB:2018:621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Wajong-uitkering wegens onvoldoende gemotiveerde beperking op begeleidingsaspect
Appellant, geboren in 1990, vroeg op 19 augustus 2014 een Wajong-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast, waaronder op aspect 1.9.3 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), die een voorspelbare werksituatie en begeleiding voorschrijft. Het UWV schrapte deze beperking later, stellende dat appellant in eenvoudig werk geen begeleidingsbehoefte heeft, en wees de aanvraag af.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het UWV zijn beperkingen onvoldoende heeft erkend, mede gelet op een neuropsychologisch rapport dat een grotere begeleidingsbehoefte concludeert. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en overhandigde aanvullend medisch bewijs, waaronder een rapport van een verzekeringsarts die een begeleidingsbehoefte bevestigt.
De Raad oordeelt dat het UWV ten onrechte de beperking op aspect 1.9.3 heeft laten vervallen zonder voldoende motivering en dat het neuropsychologisch onderzoek wijst op een grotere begeleidingsbehoefte dan door het UWV aangenomen. Het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien in overeenstemming met de medische rapporten. Het bestreden besluit is daarmee niet deugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12 Awb Pro.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit herzien en de begeleidingsbehoefte van appellant adequaat vaststellen, omdat het oorspronkelijke besluit onvoldoende gemotiveerd is.