ECLI:NL:CRVB:2018:591
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitbreiding huishoudelijke hulp wegens ontbreken medische noodzaak
Appellant, geboren in 1938 en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht om uitbreiding van zijn vergoeding voor huishoudelijke hulp van één naar twee dagdelen per week. Verweerder wees dit verzoek af omdat er geen medische noodzaak was voor uitbreiding, mede omdat appellant lichte huishoudelijke werkzaamheden nog kon verrichten en zijn klachten niet volledig aan de vervolging konden worden toegeschreven.
De Raad toetste het beleid van verweerder dat personen van 70 jaar of ouder een vergoeding voor twee dagdelen kunnen krijgen indien zij door het totaal van hun medische beperkingen niet meer in staat zijn lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Dit beleid werd bevestigd en toegepast. Medische adviezen van twee onafhankelijke artsen concludeerden dat appellant geen noodzaak had voor uitbreiding van de hulp.
Tijdens het persoonlijk onderhoud met de artsen bleek dat appellant wel beperkingen heeft bij zware huishoudelijke taken, maar nog in staat is tot lichte werkzaamheden zoals strijken, wassen, boodschappen doen en de vaatwasser bedienen. Er was geen sprake van (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag. Daarom bleef het bestreden besluit in stand en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot uitbreiding huishoudelijke hulp wordt afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak.