Appellant, een Nederlandse staatsburger, ontving een IOAW-uitkering. Zijn echtgenote, een Roemeense staatsburger, werd door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het rechtmatig verblijf in Nederland ontzegd vanwege het beroep op publieke middelen en het ontbreken van een reële kans op werk.
Het college herzag daarop de IOAW-uitkering van appellant naar de norm voor een echtpaar met een niet-rechthebbende partner en kondigde terugvordering aan. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat het bestuursorgaan en de rechter zelfstandig het verblijfsrecht van de echtgenote moeten beoordelen en dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU gesteld hadden moeten worden.
De Raad oordeelde dat het primair aan de staatssecretaris is om het verblijfsrecht vast te stellen en dat het college en de rechter in beginsel van de juistheid van dit besluit mogen uitgaan. De door appellanten aangevoerde internationale bepalingen en het Handvest bieden geen zelfstandige grondslag om het besluit te negeren. De Raad zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De beslissing is genomen met inachtneming van de relevante EU-richtlijnen, nationale wetgeving en jurisprudentie, waarbij de belangenafweging door de staatssecretaris als voldoende waarborgend werd beschouwd.