ECLI:NL:CRVB:2018:4272

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2018
Publicatiedatum
3 januari 2019
Zaaknummer
17/7499 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van verzet wegens te late indiening in hoger beroep sociale zekerheidsrecht

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar betaalde het griffierecht niet tijdig. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Vervolgens stelde de gemachtigde van appellante verzet in tegen deze beslissing.

Het verzet werd behandeld op 13 november 2018. De Raad overwoog dat het verzetschrift te laat was ingediend; de uiterste dag voor het indienen was 14 augustus 2018, terwijl het verzetschrift pas op 27 augustus 2018 per fax binnenkwam.

Appellante voerde aan dat het verzetschrift op 13 augustus per post was verzonden, maar de Raad oordeelde dat het risico van late ontvangst bij de verzender ligt. Omdat geen verschoonbare omstandigheden waren aangevoerd, werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 27 december 2018
17/7499 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2017, 17/3725 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht van 3 juli 2018 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
De gemachtigde van appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 13 november 2018. Voor appellante is verschenen M.R.M. Manders. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 3 juli 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 4 april 2018 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De laatste dag waarop tijdig een verzetschrift kon worden ingediend was 14 augustus 2018. Het door de gemachtigde van appellante ingediende verzetschrift is, per fax, op
27 augustus 2018 bij de Raad binnengekomen. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is aldus overschreden.
In verzet heeft de gemachtigde van appellante – voor zover van belang – te kennen gegeven dat het verzetschrift op 13 augustus 2018 per post naar de Raad is toegezonden.
De Raad is van oordeel dat de gemachtigde van appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het risico dat een per gewone post verzonden poststuk de geadresseerde niet tijdig bereikt, komt voor rekening van de verzender van dat poststuk.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) M.A.E. Lageweg

MD