De zaak betreft een werknemer van een eigenrisicodrager die aanvankelijk geen recht kreeg op een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar van de werknemer stelde het UWV vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid 52,35% bedroeg en kende een WIA-uitkering toe. De werkgever (betrokkene) maakte beroep tegen dit besluit, waarbij de rechtbank het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde vanwege onvoldoende motivering van de medische grondslag.
In hoger beroep betwistte het UWV deze conclusie en verwees naar de deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Centrale Raad van Beroep stelde zich achter de uitgebreide en goed gemotiveerde overwegingen van de rechtbank dat de medische motivering onvoldoende was. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep bracht geen nieuwe inzichten.
De Raad vernietigde het vonnis voor zover het een nieuwe beslissing op bezwaar oplegde, bevestigde het overige en verklaarde het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van de werkgever. Hiermee werd het geschil definitief beslecht zonder dat een nieuwe beslissing op bezwaar vereist was.